
Over leraar en lering
In de geschiedenis zijn er altijd grote leraren geweest, zoals Boeddha en Jezus. Maar hebben we in deze tijd opnieuw een leraar van buitenaf nodig, of is het juist de bedoeling dat we leren luisteren naar de innerlijke leraar in onszelf? En kan misschien zelfs het hele leven — een kind, een dier, of een steen — onze leraar zijn?
Eens in de zoveel tijd staat er een groot leraar op; Boeddha en Jezus zijn daar voorbeelden van. Vandaag zien we veel leed, druk en onvrede in de wereld. Is het tijd voor een nieuwe leraar, of is de mens juist geroepen om zelfstandig te worden?
Op school hebben we tot een bepaalde leeftijd begeleiding nodig. Daarna leren we op eigen benen te staan en verantwoordelijkheid te nemen. Zo kan ook de spirituele mens uiteindelijk zijn eigen keuzes maken. Een leraar kan hoogstens richting aanwijzen of een tip geven, maar hij kan ons leven niet voor ons veranderen. Als dat mogelijk was geweest, hadden de grote leraren het lijden allang opgeheven.
We kijken naar de wereld door de bril van ons ego en besluiten zelf wie ons inspireert en van wie we niets aannemen. Dat gaat soms mis, zoals de moordenaar van Gandhi liet zien. Toch blijven we zelf degene die kiest.
Hebben we dus nog een leraar van buitenaf nodig om ons te spiegelen en te wekken?
Of kan het hele leven onze leraar zijn — in een kind, een hond, of misschien zelfs in een steen?
Hoe kijk jij hiernaar: vertrouw jij meer op de leraar buiten je, of op de stem van binnen? En kan het misschien allebei tegelijk?
4 reacties
Reacties zijn welkom als inspiratie voor verdere verdieping. Ze worden niet onder naam weergegeven, zodat de inhoud centraal kan staan. Waar passend kunnen reacties in aangepaste vorm worden meegenomen in een vervolgtekst, in afstemming met de schrijver.






Voor mijn geestesoog verscheen in hoofdletters: ‘DE LEER DIENT NIEMAND’. Eerst was ik van slag: waarvoor dient de leer dan? Maar langzaam begon het te dagen: de leer is niet voor het persoonlijke, niet voor ons ego of een betere versie van onszelf. De leer richt zich op het onpersoonlijke, op ontwaken. Heb je daar een leraar voor nodig? Soms helpt een voorbeeld van iemand die de weg uit het persoonlijke is gegaan – dat kan directer inspireren dan onze eigen reflecties, die vaak verstoord worden door de obstakels van het ego. De wereld, een kind, een hond, of zelfs een steen – overal kan de leer spreken, als we luisteren met meer dan ons persoonlijke oog.
In het dagelijks leven ben ik leerkracht biologie in het voortgezet onderwijs. Pas geleden kreeg ik van een leerling de vraag: “Hoe komt het dat wij weten dat als je het zaadje van een tomaat in de grond stopt en water geeft, er een plantje uitkomt?”
Die vraag zette mij aan het denken. Wij mensen kunnen dit begrijpen, maar een groep honden zou dit nooit kunnen bevatten, laat staan uitvoeren. De mens beschikt over een vermogen dat uniek is: het scheppend begripsvermogen. Daarmee kan hij wonderen verrichten. Wanneer dit vermogen echter niet actief wordt, blijft het sluimeren.
Een leraar kan dit scheppend vermogen niet aanmaken of afdwingen, hoogstens wakker roepen. Hij kan richting geven, inspireren en een voorbeeld zijn. Maar juist als iets een leraar heel gemakkelijk afgaat, kan dit voor een leerling een hindernis vormen. De leerling zou kunnen denken dat de leraar eigenschappen bezit die hemzelf ontbreken — en raakt dan afhankelijk, in plaats van zelfstandig.
Daarom is het belangrijk dat een leraar de leerling steeds terugleidt naar zelfonderzoek. Want alleen daar kan het kwartje vallen. Uiteindelijk is het de leerling die het scheppende vermogen in zichzelf moet ontdekken en gebruiken. Niemand anders kan die verantwoordelijkheid dragen, geen leraar, en zelfs geen goddelijke macht.
Dat ervaar ik ook dagelijks in de klas. Ik kan uitleg geven over biologie, en ik kan leerlingen begeleiden bij hun studie. Maar pas wanneer een leerling zelf bereid is, komt het inzicht. Dan tilt hij zichzelf naar een hoger niveau.
Als de leraar ons niet kan verheffen, maar wij alleen onszelf, wat zou de rol van de leraar dan nog zijn?
We zijn vaak geneigd dieren als minder ontwikkeld te beschouwen, terwijl ze in hun eigen aard juist een diepe wijsheid en levenskracht tonen die ons veel kan leren.
Jane Goodall liet met haar levenswerk zien dat dieren niet alleen emoties herkennen, maar ook gereedschap gebruiken en empathie tonen — eigenschappen die ooit als exclusief menselijk werden gezien.
Haar werk herinnert ons eraan dat bewustzijn zich in vele vormen uitdrukt, en dat geen enkele daarvan hoger of lager is, slechts anders.
Zo is het reukvermogen van de hond misschien even goed een middel om boodschappen over te brengen als onze taal. Kijk maar hoe feilloos een varken truffels weet te vinden in de aarde, of hoe bijen met hun dans aan elkaar kunnen uitleggen waar de nectar te vinden is.
Ieder wezen drukt op zijn eigen wijze de verbondenheid met de bron van leven uit.
Op een vergelijkbare manier kun je een leraar zien als iemand bij wie bepaalde gaven of inzichten volop tot bloei zijn gekomen, en die overvloed wil delen.
Kennis of kunde wordt zo beschikbaar voor wie er ontvankelijk voor is. Daarom zijn we ook dankbaar voor het geschrift van Lao Tzu, de 81 verzen van de Tao in de Daodejing, waarin de eenheid van al het leven en het belang van innerlijke wijsheid zo helder worden verwoord.
Voor mij is een leraar een wegwijzer. Osho vergelijkt dit met de vinger die naar de maan wijst: de leraar is de vinger, niet de maan zelf.
Het gaat er niet om naar de vinger te kijken, maar de blik te richten op de maan — en dáárin verder te groeien in bewustzijn.
Zo wordt het onderricht van de leraar niet een scheiding tussen leraar en leerling, of mens en dier, maar een uitnodiging tot het herkennen van hetzelfde licht in alles wat leeft.
Eens in de zoveel tijd staan er grote leraren op. Zij laten zien dat leven in harmonie mogelijk is — dat vallen en lijden niet het enige perspectief zijn. Hun bestaan wekt hoop: evenwicht is geen illusie.
Misschien is het te vergelijken met leren fietsen. Evenwicht bewaren is een kunst. Niemand kan het voor ons doen. Maar we beginnen pas te oefenen wanneer in ons het besef ontwaakt dat evenwicht iets waardevols is.
Zo bieden grote leraren geen vervanging van onze inspanning, maar moed. Zij tonen dat het mogelijk is.
Toch kunnen we pas werkelijk fietsen wanneer wij zelf bereid zijn op te stappen.
Wanneer de leerling klaar is, volgt de lering —
aan verruiming te herkennen.
En dan gebeurt er iets wezenlijks: we zoeken het evenwicht niet langer buiten ons, maar worden het.